SGP brengt kabinet-Colijn I ten val

Als het SGP Tweede Kamerlid ds. Gerrit Kersten op 10 november 1925 tijdens de begrotingsbehandeling een amendement indient, leidt dit tot een kabinets-crisis. Regeringspartij CHU steunt  een dag later het amendement. Het kabinet-Colijn I valt drie maanden na haar aantreden. Het staat als de “Nacht van Kersten” in de parlementaire geschiedenisboeken.

 

Voorgeschiedenis

Al sinds 1814 heeft Nederland een vertegenwoordiger (vanaf 1866 met de titel gezant) bij de Heilige Stoel (Paus) in Rome. Toen Italiaanse troepen in 1870 de Pauselijke Staat onder de voet liep, werd het voortbestaan van het gezant-schap onzeker. Een jaar later diende het liberale Kamerlid Gerard Dumbar een voorstel in om de vertegenwoordiging bij de Paus te schrappen. Hij deed dit voorstel vanuit een bezuinigingsoogpunt en bij het ontbreken van wereldlijke macht van de Paus. Ondanks verzet van katholieke parlementariërs werd het amendement met 39 tegen 33 stemmen aangenomen.

In de jaren en bij de regeringen daarna probeerde de katholieken in de Tweede Kamer het besluit uit 1871 ongedaan te maken. Voor ruim veertig jaar waren ze daarin onsuccesvol. Totdat de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) uitbrak. In 1914 stemde toenmalig minister van Buitenlandse Zaken, John Loudon, in met een onderzoek naar een mogelijke herinstelling. De fractievoorzitter van de katholieke RKSP, Willem Nolens, werd door minister naar Rome gezonden. Zijn verslag vormde de basis van een wetsvoorstel tot het instellen van een tijdelijk gezant gericht op diplomatieke betrekkingen met oog op vredesbesprekingen. De behandeling van het voorstel vond in mei 1915 plaats. De ARP en CHU stemden in vanwege het tijdelijke karakter van de aanstelling. Enkele liberalen, socialisten, en het voormalig CHU Kamerlid Cornelis Bichon van IJsselmonde stemden tegen. De Eerste Kamer gaf unaniem groen licht. In datzelfde jaar werd oud-minister Louis Regout (RKSP) aangesteld als gezant. Hij overleed echter kort na zijn aankomst in Rome. Jhr. Octaaf van Nispen tot Sevenaer (RKSP), oud-Tweede Kamervoorzitter, volgde hem op.

John Loudon, minister van Buitenlandse Zaken

Willem Nolens, fractievoorzitter RKSP

Cornelis Bichon van IJsselmonde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na de Eerste Wereldoorlog laaide de discussie over het gezantschap bij de Paus weer op. In 1920 besloot minister van Buitenlandse Zaken, Herman van Karnebeek (liberaal) het tijdelijk gezantschap een permanent karakter te geven. Hij meende dat daarvoor voldoende diplomatieke redenen waren om zo’n besluit te rechtvaardigen. In de Tweede Kamer verzette met name de CHU zich tegen dit besluit. Fractievoorzitter Alexander de Savornin Lohman diende een amendement in om de gelden voor het gezantschap te schrappen uit de begroting, maar daarvoor onvoldoende steun. Het amendement werd met 48 tegen 29 stemmen verworpen.

Herman van Karnebeek, minister van Buitenlandse Zaken

Alexander de Savornin Lohman, fractievoorzitter CHU

Jhr. Octaaf van Nispen tot Sevenaer, gezant bij de Heilige Stoel 1915-1926

 

 
 
 

 

 

 

 

 

 

 

De Nacht van Kersten

Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1922 behaalde de nieuwe orthodox-protestantse partij SGP één zetel. Ds. Gerrit Kersten, één van de oprichters, werd de eerste vertegenwoordiger in het parlement. De partij was in 1918 opgericht uit onvrede met de andere twee protestants-christelijke partijen ARP en CHU. Zij was vooral tegen de politieke samenwerking met de katholieken.

Zijn streven om een einde te maken aan de permanente gezant in Vaticaanstad begon bij de behandeling van de Rijksbegroting 1923. Samen met Lodewijk Duymaer van Twist (ARP), Arend Braat van de Plattelandersbond, de communist Willem van Ravensteijn en drie CHU Kamerleden, diende hij een amendement in met die strekking. Het amendement werd verworpen met 48 tegen 37 stemmen.  Een tweede poging in 1924 was niet succesvol.

Na de verkiezingen van 1925 kreeg de SGP een tweede zetel. Ds. Pieter Zandt werd Kamerlid. De nieuwe machtsverhoudingen in het parlement waren voor Kersten de reden om in de nacht van 10 en 11 november 1925 nogmaals een amendement in te dienen. Toen de vergaderzaal bijna leeg was stelde hij samen met fractiegenoot Zandt voor de derde maal per amendement voor de gezant bij de Heilige Stoel af te schaffen. Daarbij ondersteunt door drie Kamerleden van het CHU.

ds. Gerrit Kersten, fractievoorzitter SGP

Henri Marchant, fractievoorzitter VDB

Hendrik Colijn (ARP), minister-president

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Direct hierna verklaarde de RKSP fractievoorzitter Nolens dat het aannemen van dit amendement onaanvaardbaar zou zijn voor zijn fractie. Zij zouden geen steun meer geven aan een kabinet dat meewerkt aan het opheffen van het gezantschap.

Voorafgaande aan de stemming de volgende middag deelde fractievoorzitter Henri Marchant (VDB) mee dat zijn partij op zich geen tegenstander was van het gezantschap, maar gelet op de verklaring van Nolens en de politieke consequenties van de aanvaarding, toch voor het amendement zullen stemmen.

De Tweede Kamer nam vervolgens met 52 tegen 42 stemmen het amendement aan. Naast SGP, CHU en VDB stemden ook HGSP, SDAP, Vrijheidsbond, Plattelandersbond en de communisten voor. CHU-fractievoorzitter Johannes de Visser en de ARP Kamerleden Duymaer van Twist en Ugo Visscher onttrokken zich aan de stemming.

De vier RKSP ministers in het kabinet-Colijn I diende hierop hun ontslag in. De kabinetscrisis was een feit.

Formatiepogingen

Om te voorkomen dat nieuwe verkiezingen moesten worden uitgeschreven werden naar aanleiding van de Vaticaancrisis zijn diverse formatiepogingen gedaan. Als eerste kreeg de liberale voorman Marchant (VDB) de opdracht een nieuw kabinet te formeren. Hij zocht contact met de RKSP en het SDAP, maar de weigering van Nolens om samen te regeren met de sociaaldemocraten deed de poging stranden.

Vervolgens werd de opdracht gegeven aan De Visser (CHU). Hij ondernam drie pogingen om een kabinet over rechts te vormen, maar slaagde er niet in.  Als oplossing voor de impasse stelde hij voor dat het gezantschap zou blijven bestaan als onderdeel van een andere gezantschapspost. De fractie van de CHU zou dan in het parlement een motie mogen indienen waarin zij de oplossing betreurd, maar hieraan zouden geen verdere politieke consequenties worden verbonden. Zowel zijn eigen CHU-fractie als die van de RKSP wezen deze optie toch af.

Johannes Visser, fractievoorzitter CHU

Pieter Cort van der Linden, premier 1913-1918

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Oud-Tweede Kamerlid Joseph Limburg (VDB) kreeg de opdracht om een extra-parlementair kabinet te vormen.  Aan zo’n kabinet zouden ook de liberalen deelnemen.  Met veel moeite lukte het Limburg om een ministersploeg, maar bij het constituerend beraad (de oprichtingsvergadering van een kabinet) ging het als nog fout. De kandidaat-ministers van CHU-huize wilden dat alleen de minister van Buitenlandse Zaken het gezantschap bij de Paus zou verdedigen, zonder dat het hele kabinet daarvoor verantwoordelijk was. Voor de katholieke kandidaat-ministers was dit weer onaanvaardbaar.

Tijdens een tussenberaad, waarin de stand van zaken werd besproken, kwamen verschillende opties voor een kabinetsformatie aan de orde. Zo werd er gedacht aan een ambtenarenkabinet onder leiding van secretaris-generaal Jan Kan, maar hij weigerde. In het later gevormde kabinet-De Geer I werd hij wel minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw. Ook kwam oud-premier Pieter Cort van der Linden in beeld als formateur. Maar uiteindelijk was het Jhr. Dirk Jan de Geer (CHU) die er in slaagde om in het geheim (dus buiten demissionair premier Colijn om) een extra-parlementair kabinet te formeren. Op 8 maart 1926 trad het nieuwe kabinet van RKSP, ARP en CHU met enkele partijloze liberalen aan.  

kabinet-De Geer I (1926-1929)

Nogmaals een poging

In maart 1926 kwam het kabinet nog eenmaal met het voorstel om het gezantschap bij de Heilige Stoel te behouden, maar daarvoor was geen politieke steun. De CHU-fractie stemde tegen. Dit bleef zo tot in de Tweede Wereldoorlog. In 1943 stondhet gezantschap weer op de agenda van de regering in ballingschap onder leiding van Pieter Sjoerds Gerbrandy (ARP). Koningin Wilhelmina was hier tegen, maar ging toch akkoord nadat minister Elco van Kleffens had gedreigd af te treden. Sinds begin 1944 was er weer een Nederlandse gezant in Vaticaanstad.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s