Zweeds wittebrood

De winter van 1944-1945 staat bekend als de hongerwinter. In het westelijk deel van Nederland was een tekort aan voedsel en brandstof als gevolg van Duitse blokkades. De blokkades duurde zes weken en kostte aan circa twintigduizend Nederlanders het leven. Vanuit het buitenland kwam er hulp om het nood te ledigen. Op 28 januari 1945 meerde de eerste schepen van het Zweedse Rode Kruis met voedsel aan.

De Zweden stuurden drie schepen – de Noreg, de Dagmar Bratt en de Hallaren – met zo’n 11.400 ton aan voedsel. De eerste twee schepen kwamen op 28 januari 1945 aan in de haven van Delfzijl. Elk schip had ongeveer 3.700 ton voedsel bij zit. De Hallaren arriveerde later in Nederland met 4.000 ton. Van het meel werd het Zweeds wittebrood gebakken.

De bevolking in het getroffen gebied kreeg het Zweeds wittebrood en een pakje margarine. Het was voor het eerst sinds jaren dat men weer echt brood kon eten. Tijdens de oorlogsjaren moesten bakkers noodgedwongen aardappelmeel gebruiken voor het brood.

Schepen van het Zweedse Rode Kruis liggen in de Merwehaven te Rotterdam. Foto: J. van Rhijn/Gemeentearchief Rotterdam.

Mensen staan in een rij te wachten voor één van de tijdelijke "Rode Kruiswinkels". Foto: J. van Rhijn/Gemeentearchief Rotterdam.Twee vrouwen hebben zojuist gratis Zweeds wittebrood en een pakje margarine gekregen. Foto: J. van Rhijn/Gemeentearchief Rotterdam.Voor de distributie werden middenstanders als tijdelijke "Rode Kruiswinkels" aangewezen. Zij ontvingen naderhand deze oorkonde als erkenning.