Hendrick Hamel

De Nederlanders zijn er deze weken weer massaal op uitgetrokken voor een verre vakantie of een vakantie dichtbij huis. Hoe dan ook leggen we met z’n allen duizenden kilometers af voor avontuur en ontspanning.

Ons Verleden Hedentendage blikt deze week terug op Nederlandse ontdekkingsreizigers. Zij maakten reizen naar onbekende bestemmingen en brachten zo de wereld in kaart. Hun reizen leverde bijzondere verhalen voor het thuisfront op. Vandaag deel 2 Hendrick Hamel

 

 

 

Hendrick Hamel was de eerste Europeaan die het Westen kennis deed maken met Korea. Na dertien jaar gevangenschap wist hij te ontkomen. Terug in Nederland schreef hij een verslag, het Journael, over zijn ervaringen. Hamel kan als de “ontdekker van Korea worden gezien. Hoewel anderen eerder contact hadden met Koreanen waren zij nooit in staat geweest hun kennis met de rest van de wereld te delen. Hij was in 1630 te Gorinchem geboren als zoon van Dirck Frericks Hamel en Margaretha Heyndricks Verhaar. Over zijn jeugd is verder niets bekend.

De eerste reis naar Batavia

Op 20-jarige leeftijd vertrok hij van de rede van Texel. Op 17 november 1650 ging hij aan boord van jacht Vogel Struijs met een laadvermogen van 1000 ton. Via de vaarroute langs Kaap de Goede Hoop voer de jacht naar Batavia. De Kaap was destijds een belangrijk verversingspost voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie, maar werd tijdens deze reis niet aangedaan. Hamel werkte als busschieter en bediende het geschut aan boord van de jacht. Na een reis van ruim vier maanden zette hij op 4 juli1651 voet aan land in Batavia.

"Batavia opt Eylandt Iava" door Johannes Vingboons uit 1665. Bron: Nationaal Archief

Als snel na aankomst in Batavia maakte Hamel promotie. Mogelijk kwam hij in de Oost aan met goede referentie op zak of maakte hij tijdens de overtocht een goede indruk op zijn superieuren. Eerst werd hij assistent-boekhouder en later boekhouder. Aan boord van een VOC schip was een boekhouder een belangrijke functionaris. Hij was verantwoordelijk voor het scheepsjournaal en beheerde de financiën. In rang stond de boekhouder gelijk aan een stuurman. Met de promotie kreeg Hamel ook een salarisverhoging. Als busschieter verdiende hij ƒ 11,- per maand, maar als boekhouder was dit ƒ 30,-.

De reis met de Sperwer

De jacht Sperwer was in 1648 vanuit Texel naar Batavia gekomen en maakte verschillende regionale reizen. De jacht had een laadvermogen van 540 ton. In het voorjaar van 1653 had de Sperwer Formosa (het huidige Taiwan) als reisdoel. De uitreis ondervond vertraging omdat men wachtte op de aankomst van soldaten uit Nederland. Deze soldaten zouden op Formosa worden gestationeerd, maar toen langer wachten zinloos leek vertrok de jacht alsnog. Op 18 juni 1653 voer Hamel als boekhouder richting Formosa. Aan boord van de Sperwer was ook Cornelis Caesar. Hij was benoemd als nieuwe gouverneur van Formosa en moest Nicolaes Verburgh aflossen.

Dergelijke zeereizen waren seizoensgebonden in verband met weersomstandigheden. Het ideale reisseizoen liep toen de Sperwer vertrok ten haar einde. Uit het Journael, het verslag dat Hamel schreef na thuiskomst in Nederland, weten we dat ze op de reis van Batavia naar Formosa geen hinder ondervonden van het weer. Op 16 juli arriveerde men veilig op Formosa.

Landkaart met de reis van Hendrick Hamel. Van Batavia naar Formosa en Cheju in 1653. Van Korea naar Dejima in 1666.

De Sperwer vervolgde zijn reis richting de VOC handelspost op Dejima. Een kunstmatig eiland voor de kust van Nagasaki in Japan. De shogun van Japan voerde een strikt beleid omtrent het contact en handel met buitenlanders. De afsluitingspolitiek of sakoku was ruim twee eeuwen van kracht. Voor Nederlanders gold een uitzondering. Zij mochten handel drijven en kennis uitwisseling onder strikte voorwaarden en alleen vanaf Dejima.

Terwijl ze onderweg waren, sloeg het weer om. Hevige stormen dreef de jacht richting de kust van China. Op het strand zagen ze mannen lopen, maar uit angst om voor de lading vermoord te worden besloten de bemanning niet aan land te gaan. Uiteindelijk lukte het om van de kust af te komen. Dagenlang dobberden ze rond in de storm totdat ze op de rotsen aan de zuidkust van het Koreaanse eiland Jeju liepen. De Sperwer liep schipbreuk op. Van de 64 opvarenden overleefden slechts 36 de ramp. Hamel noemde het eiland Quelpaerts Eiland.

De Sperwer raakt voor de kust van het Koreaanse eiland Jeju in moeilijkheden en leidt schipbreuk.

Het nieuws over de Sperwer was voor gouverneur-generaal Joan Maetsuycker om een bevel uit te vaardigen. Hij verbood het uitzenden van schepen naar de wateren ten noorden van Formosa na 1 juli. In de zeeën tussen China en Japan vonden in die periode geregeld orkanen en zware stormen plaats en dat was voor de scheepvaart in de zeventiende eeuw levensgevaarlijk.

Het verblijf op Jeju

In eerste instantie dachten de schipbreukelingen dat het eiland onbewoond was. Ze probeerden zoveel mogelijk van de lading te redden. Hun overleden collega’s werden op Jeju begraven. Na enkele dagen verscheen vanachter de heuvel een man. De Nederlanders riepen hem aan, maar hij verdween weer. Later op de dag arriveerden drie mannen bij het kamp. Een matroos bood een geweer aan in ruil voor vuur. Hamel en de andere opvarenden wisten nu dat het dus geen onbewoond eiland was, maar voorzagen niet de situatie waarin ze zaten. Dat werd ze pas de volgende dag duidelijk. Een enorm leger van tussen de 1000 en 2000 Koreanen omringden de Nederlanders. De soldaten waren door de gouverneur gestuurd om hen gevangen te nemen, de lading in beslag te nemen. Van de lading werd door de Koreanen een grondige inventaris gemaakt. De Sperwer of wat daar nog van over was, werd in brand gestoken.

De gevangenneming van de Nederlandse schipbreukelingen door Koreaanse soldaten

Onder militaire begeleiding ging het gezelschap naar Daejeong aan de westkust waar ze overnachtten. De volgende dag reisden ze verder naar Cheju-stad in het noorden. Daar werden ze door gouverneur Yi Wonjin onthaald. Hij ondervroeg de Nederlanders onder meer over hun reis. Op last van de gouverneur werden de zieken verzorgd en hij zegde toe zijn best te doen om hen naar Japan te laten gaan.

Hamel en de andere gevangenen verbleven inmiddels enkele weken op het eiland toen de gouverneur nieuws voor hen had. Het was niet het bericht waarop zij hadden gehoopt. Een blanke man met rode baard en in Koreaanse kleding was door de koning gestuurd om hen te vertalen dat zij Korea niet mochten verlaten. Deze isolatiepolitiek was het antwoord van de Koreanen op de angst voor het verlies van de zelfstandigheid en de eigen cultuur en tradities. In het noorden werd het land bestookt door de Mantsjoes, aan wie zij zich hadden moeten onderwerpen. Terwijl de Japanners vanuit het zuiden ongeveer zestig jaar eerder hadden geprobeerd het schiereiland te veroveren. Door de isolatiepolitiek bleef Korea een onbekend land in de rest van de wereld.

De blanke man was de Nederlander Jan Jansz. Weltevree. Hij was op 12 mei 1627 vanuit Batavia met de jacht Ouwerkerck vertrokken naar Formosa. Vanwege het aanhoudend slechte weer deden zij langer over de reis dan aanvankelijk gedacht. Omdat de watervoorraad begon op te raken ging hij samen met de scheepsmaten Dirck Gijsbertz. en Jan Pieterse Verbaest op het eiland Jeju aan land. Daar werden ze door de Koreanen gevangen genomen en mochten het land nooit meer verlaten. De Ouwerkerck ging er snel vandoor en vervolgde zijn reis. Tot de ontmoeting tussen Hamel en Weltevree had niemand ooit meer iets van hen vernomen. De scheepsmaten diende in het leger van de koning en kwamen tijdens een inval van de Machu. Weltevree werd een belangrijke regeringsfunctionaris en trad in het contact met Hamel en de andere schipbreukelingen van de Sperwer op als tolk.

Standbeeld van Jan Jansz. Weltevree in zijn vermoedelijke geboorteplaats De Rijp

De Nederlanders werden gastvrij en respectvol behandeld door gouverneur Yi. Ze hadden voldoende te eten en kregen warmere kleding toen het kouder begon te worden. Maar dit veranderde toen in december 1653 een nieuwe gouverneur kwam. Bij zijn afscheid zei Yi tegen de Nederlanders het spijtig te vinden hen niet mee te kunnen nemen naar het vasteland, maar zodra hij aan het hof van de koning was alles in het werk te stellen hen alsnog daar naar toe te halen. De nieuwe gouverneur bracht hun voedselrantsoenen drastisch terug naar een beetje rijst met zout en wat water. Vlees of vis kregen ze niet langer.

Ook van de nieuwe gouverneur mochten ze in groepjes van zes op zoeken naar manieren om hun in onderhoud te voorzien, zoals helpen met het oogsten. Begin mei 1654 was de stuurman samen vijf andere bemanningsleden in een dorp vlakbij de stad een verlaten boot liggen. Eén van hen liep terug naar de stad om wat brood en water te halen voor de reis. Daarna gingen ze samen een kijkje dichterbij nemen. Ze trokken de boot over de zandbank en hesen het zeil. Maar omdat het tuig hen onbekend was, ging het fout. De mast en zeil vielen overboord. Inmiddels waren enkele dorpsbewoners in bootjes en met geweren de Nederlanders achterna gegaan.  Een tweede poging om de mast en zeil overeind te krijgen mislukte ook en het bootje dreef terug naar de kust. Toen de Koreanen dichterbij kwamen, sprongen de Nederlanders in hun bootje in de hoop hen te overmeesteren en verder te kunnen zeilen. Het bootje bleek vol te lopen met water en dus zat er niet anders op dan terug te keren naar Jeju. De ontsnappingspoging was mislukt.

De Nederlanders werden naar de gouverneur gebracht. Op zijn bevel werden ze vastgebonden aan plank en met een ketting om hun nek. Een hand werd met klem vastgezet aan de plank. De andere schipbreukelingen werden erbij gehaald. De gouverneur wilde duidelijk een daad stellen om anderen te ontmoedigen een ontsnappingspoging te ondernemen. Hij ondervroeg hen over het reisdoel en of ze daadwerkelijk dachten met een dergelijke boot, zo weinig voedsel naar Japan te kunnen zeilen. De gevangenen lieten weten de poging zonder medeweten van de anderen te hebben ondernomen en liever een snelle dood wilde sterven dan een langzame in Korea. De gouverneur gaf het bevel om ze los te maken en elk van heen 25 stokslagen te geven.

De Nederlanders die probeerde te ontsnappen werden elk met 25 stokslagen bestraft

Naar de koning in Seoel

De groep van 36 Nederlanders werd verdeeld over vier jonken voor de overtocht van het eiland Jeju naar het Koreaanse vasteland. Hun voeten en handen werden in een blok vastgezet, zodat ontsnappen onmogelijk werd. Uit het verslag van Hamel blijkt dat zij zeker een poging hadden ondernomen, want de soldaten waren een groot deel van de overtocht zeeziek. Omdat er teveel tegenwind was, konden ze nauwelijks in de buurt van de kust komen. Na twee dagen vastgezeten te hebben, werden de Nederlanders losgemaakt en teruggebracht naar hun huis op Jeju. Er zouden ongeveer vier dagen aan voorbij gaan voordat er een gunstige wind was voor de overtocht. Wederom werden de Nederlanders over vier jonken verdeeld en op dezelfde wijze vastgemaakt. De ankers werden gewogen en de zeilen gehesen. Nog diezelfde avond kwam de kust van het vasteland in zicht. Pas de volgende dag werden ze aan wal gebracht.

Na een overnachting begon men aan de reis over land. De Nederlanders kregen paarden en reden met de soldaten naar de stad Haeman. Daar kwamen ze alle 36 voor het eerst weer bij elkaar. De jonken waren namelijk op verschillende plaatsen afgemeerd. De volgende ochtend vertrok het gezelschap na het ontbijt richting Yôngam. Die nacht overleed schutter Paulus Janse Cool uit Purmerend. Hij had een zwakke gezondheid en was sinds de schipbreuk nooit echt hersteld. De gouverneur van de stad gaf toestemming om hem daar te begraven. De anderen waren bij de begrafenis aanwezig. Hierna reisden ze verder naar de stad Naju. In de daaropvolgende nachten verbleven ze in Changsông, Chôngûp, Ipamsansông en Tae’in. Na de overnachting in Tae’in reden ze naar een klein plaatsje genaamd Kûmku. Hier nuttigden ze de lunch en reisden vervolgens door naar de stad Chônju, de oude hoofdstad van Korea. De stad was volgens Hamel’s verslag een belangrijk economisch centrum voor Korea. Daarna volgde overnachtingen in Yôsan, Ûnjin, Yonsan en Kongju. De dag erna staken zij, volgens het verslag, een grote rivier over. Ongeveer twee kilometer verderop zagen ze een grote ommuurde stad. Dit was Seoel, de hoofdstad en woonplaats van de koning.

Voor twee of drie dagen verbleven ze samen in een huis. Daarna werden ze verdeeld over de woningen van Chinese vluchtelingen. Met z’n tweeën, drieën of vieren trokken ze in de Chinezen. Ze was nog nauwelijks verhuisd of de koning ontbood de Nederlanders om voor hem te verschijnen.

Hamel en de andere Nederlanders knielend voor de koning in Seoel

In dienst van de koning

De Koreaanse koning Jeongyeon stelde allerlei vragen aan de Nederlanders. Weltevree trad op als tolk. Zij herhaalden hun wens om naar Japan te mogen gaan, omdat zij slechts door een storm in Korea terecht waren gekomen. Zij hadden bovendien geen kwaad in zin. Het gezelschap gaf ook dat ze ver van huis waren in een vreemd land en hun familie en vrienden misten en graag weer zouden zien. De koning bleef bij de isolatiepolitiek en gaf geen toestemming. Volgens het Journael van Hamel zouden de Nederlanders zich daarin geschikt hebben, maar aangezien zij constant dachten aan ontsnappen lijkt dat minder waarschijnlijk.

Het was aan het hof gebruikelijk dat gasten de koning vermaakte met dans, zang en clowneske stunts. Uit respect voor de lokale gebruiken deden de Nederlanders dit, maar wel met weinig enthousiasme. De koning en het hof waren overigens tevreden met hetgeen zij te zien en horen kregen. Hamel en de anderen kregen elk twee stukken linnen om zich kleden zoals dat gebruikelijk was in Korea en werden vervolgens terug naar hun huizen gebracht.

troonzaal in het Gyeongbok-gung Paleis in Seoel

De volgende dag moesten de Nederlanders zich melden bij de hoogste militair. Hij deelde via Weltevree dat de koning hen wilde aannemen als zijn lijfwachten. Daarvoor zouden zij elk een maandelijks rantsoen van 70 ons rijst krijgen. Verder kregen ze een ronde houten schijf met daarop in Koreaans schrift hun naam, leeftijd, land van herkomst en functie. De schijf was verder voorzien van een stempel van de koning en de hoogste militair. Zij traden daarmee officieel in dienst van de koning. Ook ontvingen ze ieder een musket, buskruid en lood. De hoogste militair vertelde hen bovendien dat zij, zoals gebruikelijk in Korea voor iedere bediende, bij elke nieuwe en volle maan respect moesten tonen aan de koning. Tijdens drie maanden in het voorjaar en drie in het najaar werden ze getraind. Drie keer per maand waren er conditietrainingen en drie keer per maand in het oefenen van het schieten. Weltrevee was aangesteld als hun instructeur.

De Nederlanders werden dagelijks gevraagd om voor vooraanstaande Koreanen te verschijnen, want de mannen, vrouwen en kinderen waren allen erg nieuwsgierig naar deze vreemdelingen. In Seoel gonsde het van roddels over de Nederlanders die meer zouden lijken op monsters dan op mensen. Echter veel Koreanen vonden de Nederlanders helemaal niet lelijk. Hun blanke huidskleur werd zelfs bewonderd. Een secretaris van de koning zou de Nederlanders ooit als volgt hebben beschreven:

“Hun ogen zijn blauw en hun neus steekt uit. De huid is wit bij jongeren, gelig wit bij de volwassenen. Het haar is of rood of blond. Als het gekapt is, hangt nog haar tot aan de oogleden en achter tot op de schouders. Sommige van hen zijn helemaal geschoren, terwijl anderen alleen hun baard hebben afgeschoren, maar hun snor behouden. Ze zijn tussen de acht en negen ch’k tall (159-179 cm). Bij het betuigen van respect aan anderen nemen zij hun hoeden af en trekken hun schoenen uit en raken zij de grond met beide handen aan, knielen voor een lange tijd met hun hoofden naar beneden gericht. Voor wat betreft hun hoofddeksels, hun hoeden zijn van een dik geweven wol.”

Het incident met de gezant

De Koreanen waren schatplichtig aan de Mantsjoes. De Mantsjoes kwamen uit het noordoosten van China en regeerde over China van 1644 tot 1912. Regelmatig kwam een gezant de belastingen innen. In maart 1655 was het tweede bezoek sinds de Nederlanders in Seoel verbleven. De eerste keer, in augustus 1654, werden ze gedurende het verblijf verbannen naar een fort buiten Seoel. Nu stonden ze onder huisarrest. De Koreaanse koning wilde geen ruchtbaarheid geven aan de aanwezigheid van de Nederlanders.

kaart van Mantsjoerije

Op de dag dat bekend werd dat de gezant zou vertrekken grepen Hendrik Janse uit Amsterdam en Hendrik Janse Bos uit Haarlem hun kans om uit Korea weg te komen. Ze beweerden zonder brandhout te zitten en vroegen om toestemming dit in het bos te gaan sprokkelen. Die toestemming werd verleend. De mannen gingen naar de weg waarlangs de gezant zou reizen in plaats van naar het bos.  De gezant werd omringd door zo’n honderd ruiters, maar dat weerhield de mannen er niet van hun poging te wagen. Ze braken door het cordon en grepen de teugels van het paard van de gezant. Het reisgezelschap stopte en de mannen trokken haastig hun Koreaanse kleding uit. Daaronder droegen zij hun Nederlandse kleren en vertelden dat zij Nederlanders waren die tegen hun wil werden vastgehouden. De gezant begreep niet wat ze zeiden en de meereizende Koreanen deden net alsof ze niet begrepen waar het over ging. De gezant gaf zijn stuurman het bevel de mannen mee te nemen naar het huis waar zij zouden overnachten en om een tolk te regelen.

Ondertussen werden in Seoel de andere Nederlanders uit hun huizen gehaald. Ze werden voor een tribunaal gebracht die in allerijl bijeen was gekomen. De voorzitter vroeg de Nederlanders of zij wisten van het ontsnappingsplan. Zij ontkenden dit, maar werden toch veroordeeld omdat zij nalatig waren geweest om te melden dat de twee mannen niet richting de bergen, maar de andere kant op waren gelopen. Het vonnis luidde 50 stokslagen per persoon. Voordat het vonnis kon worden uitgevoerd moest de koning hiermee instemmen, maar dat deed hij niet. De Nederlanders beschouwden hij niet als mensen die kwaad in de zin hadden tegen de Koreaanse natie, maar door het noodlot hier waren gekomen. Het vonnis werd vernietigd en de Nederlander werden teruggebracht naar hun huizen.

Op zijn rustplaats nam de gezant kennis van het verhaal van Hendrik Janse en Hendrik Janse Bos met behulp van een tolk. Onder de achtergebleven Nederlanders ging later het verhaal dat de gezant zou zijn omgekocht door de koning met veel geld en de belofte op nog meer als hij de keizer in Beijing niets zou vertellen over de Nederlanders. Met de beide heren liep het slecht af. Ze werden in de gevangenis gezet en stierven korte tijd later. Het is nog onduidelijk of dit een natuurlijke oorzaak had of als gevolg van een vonnis. Ook kan het zijn dat ze zijn doodgehongerd. Hamel schreef in zijn Journael dat zelfs Weltevree het niet wist, terwijl hij volgens Hamel goed op de hoogte was van alle ontwikkelingen.

Dood aan de Nederlanders

Datzelfde jaar zou de gezant nog twee keer naar Seoel komen om belastingen te innen. De Nederlanders kregen wederom huisarrest. Om een voorval zoals in maart te voorkomen werden nu strengere maatregelen. Wie ook maar zijn neus buitenshuis stak, kon rekenen op een stevig pak slaag. Na het laatste bezoek van de gezant aan het eind van het jaar begonnen enkele adviseurs van de koning en vooraanstaande hovelingen hardop te speculeren over het doden van de Nederlanders. Het overleg duurde drie dagen. De koning, de broer van de koning, de legercommandant en andere leidende personen keerden zich tegen het voorstel. Zij staan positief tegenover de Nederlanders.

Een bevriende informant vertelde de Nederlanders wat er speelde. Hij legde uit dat als ze besluiten om de Nederlanders te doden dat dit op een eervolle manier gebeurt. De Nederlanders zouden het elk moeten opnemen tegen twee Koreanen, waarbij zij allen dezelfde bewapening hebben. Bij Hamel en de anderen sloeg de angst er in. Weltevree werd benaderd om nadere inlichtingen te geven, maar hij gaf alleen aan dat wanneer binnen drie dagen niet zou gebeuren het gevaar geweken was.

De broer van de koning zat de bijeenkomsten voor. Toen hij voorbij ons huis liep, spraken wij hem aan. Wij smeekten hem om onze levens te sparen. Hij stelde ons gerust. Het was allemaal minder ernstig dan ons was verteld. De koning hield voet bij stuk in zijn weerstand tegen het plan. Echter moest de koning wel concessies doen. Om in de toekomst ongewenste voorvallen tussen de Nederlanders en de gezant te voorkomen, werden de Nederlander verbannen naar de zuidelijke provincie Chollado. De koning gaf elk van hen een maandelijks rantsoen van 50 ons rijst.

Het leven in Chollado

Begin maart 1656 vertrokken de Nederlanders per paard naar Chollado. Tot aan de rivier werden zij vergezeld door Weltevree en andere vrienden. Bij de pont werd afscheid genomen en dat was de laatste keer dat ze hun landgenoot hebben gezien of iets over hem hebben gehoord.

In Chollado was het leven in de eerste maanden best aangenaam. De gouverneur van de provincie was behulpzaam en gaf de Nederlanders klusjes om hen bezig te houden. Hij was geliefd onder de bevolking en de adel. Maar begin 1657 veranderde de situatie. De gouverneur werd ontslagen vanwege omkooppraktijken. In februari arriveerde zijn opvolger. Deze was minder vriendelijk tegenover de Nederlanders. Zo moesten ze van toen zelf zorgen voor het brandhout, terwijl ze dit van de vorige gouverneur nog gratis kregen. Ze moesten nu ongeveer vijf kilometer lopen om hout te halen en met het hout weer circa vijf kilometer terug. Hij dwong de Nederlanders harder te werken. Ze waren dan ook op gelucht toen de gouverneur enkele maanden later overleed aan een hartaanval.

In november kwam de derde gouverneur in korte tijd aan. Ook op hem hoefden de Nederlanders niet te rekenen voor hulp. Toen hun kleding aan vervanging toe was, gingen ze naar hem toe. De gouverneur wees hen de deur. Van de koning had hij enkel het bevel gekregen om te zorgen voor de maandelijkse rantsoenen. Voor de rest van hun levensonderhoud was men zelf verantwoordelijk. Ze vroegen de gouverneur toestemming om te mogen bedelen. Bedelen is in Korea niet ongepast, zelfs door monniken wordt gebedeld. De Nederlanders kregen toestemming om vier dagen per week bij boerderijen en kloosters te bedelen. En daar waren er veel van in de provincie Chollado.

De Nederlanders hadden succes met het bedelen. Boeren en monniken waren vooral geïnteresseerd in de verhalen die ze konden vertellen. Ze vertelden verhalen over hun vaderland en hun reizen in voor de Koreanen onbekenden oorden. Met de opbrengsten konden Hamel en de anderen nieuwe kleren kopen voor de winter.

In de lente van 1658 werd de gouverneur weer vervangen. De nieuwe gouverneur was voornemens om de vrijheden van Nederlanders drastisch te beperken en wilde dat zij dagelijks voor hem zouden werken in ruil voor drie stuks linnen per persoon. Daar waren de Nederlanders het niet mee eens. Door het werk zouden hun kleren sneller slijten en er was een gebrek aan voldoende voedsel. Ze vroegen hem of ze regelmatig twintig dagen vrijaf konden krijgen om zodoende hout te hakken en dit te verkopen aan de boeren. Op deze manier konden ze beter voorzien in hun eigen onderhoud. De gouverneur stemde hiermee in.

De koning, die de Nederlanders zo goedgezind was geweest, overleed in april 1659. Met instemming van de Mantsjoes werd zijn oudste zoon gekroond. Voor de Nederlanders veranderde er niets onder koning Gyungjik. Ze verkochten hout en bedeelden. De monniken bleken veel gullere gevers dan de boeren. Zij wilden alles weten en konden urenlang naar de verhalen luisteren.

Toen in het voorjaar van 1661 wederom een nieuwe gouverneur kwam, was dit een aanzienlijke verbetering voor de leefomstandigheden van de Nederlanders. Hij liet doorschermen dat als hij de keuze had ze Korea hadden mogen verlaten. Helaas was de gouverneur gebonden aan de wetten van de koning. Onder zijn bewind waren de Nederlanders vrij om te doen wat ze wilden. Het plezier was van korte duur. In datzelfde jaar waren de oogsten door de droogte mislukt. En dat zou ook de twee daaropvolgende het geval zijn. Een gebrek aan voedsel kostte aan duizenden mensen het leven. Doordat zo velen stierven aan de honger ontvolkte hele regio’s. Ook de Nederlanders werden niet gespaard. Begin 1663 waren er nog22 inleven. Elf waren overleden.

Struikrovers trokken door het land op rooftochten voor voedsel. Dorpen werden geplunderd en de opslagruimten van de koning werden opgebroken. Soldaten patrouilleerden langs de wegen om de rovers te pakken. Om de hongersnood te overwinnen voedde men zich met eikels, boomschors en onkruid.

Op een gegeven kon de gouverneur ook de Nederlanders niet meer voorzien in hun maandelijkse rantsoen. Hij schreef de koning hen ergens anders onder te brengen. In februari 1663 kwam het antwoord uit Seoel. De Nederlanders werden over drie steden verspreidt. Twaalf werden naar SaesOng gestuurd, vijf naar Sunchon en drie naar Namwon. Ze zagen erg op tegen de verhuizing. Hun leven in Duijtsiang was plezierig en ze voelden zich hier erg thuis. Achteraf bezien creëerde de verhuizing de mogelijkheid voor enkelen om te ontsnappen naar Japan.

Naar de zuidkust

Ze namen afscheid van de gouverneur en bedankten hem hartelijk voor hetgeen hij allemaal voor hen had gedaan. Hun reis naar de zuidkust van Korea moesten zij lopend afleggen. Voor de zieken en een aantal kleine persoonlijke eigendommen kregen ze een aantal paarden. Degenen die naar Sunchon en SaesOng reisden namen voor een deel van de reis dezelfde route. Van de drie collega’s die naar Namwon verhuisde werd in Duijtsiang afscheid genomen. Over hun verdere leven is niets bekend.

De reis naar Sunchon duurde vier dagen. Hier overnachten ze in een pakhuis van de overheid. De volgende ochtend werd afscheid genomen van de vijf die zich in Sunchon zouden vestigen. Hamel en de overige Nederlanders trokken verder naar hun nieuwe woonplaats. Diezelfde avond arriveerden ze in SaesOng. Daar werden ze overgedragen aan de plaatselijke gouverneur.

De Nederlanders kregen onderdak in een schaars ingerichte woning en hun gebruikelijke rantsoen aan rijst. De gouverneur leek een vriendelijke en goedgehumeurde man. Helaas ging hij twee dagen na hun aankomst alweer weg. Zijn opvolger was meedogenloos. Hij liet de Nederlanders in de zomer urenlang in de brandende zon staan en ’s winters in de regen en hagel. Bij mooi weer deden ze niets anders dan het maken van pijlen voor de boogschutters om mee te oefenen. De Nederlanders moesten daarnaast nog diverse andere vervelende klussen doen.

Om nieuwe kleren te kunnen kopen voor de winter vroegen de Nederlanders om verlof voor zes van hen. Zij zouden dan hout kunnen verkopen en bedelen voor geld. Hoewel het verzoek nooit officieel werd ingewilligd noch afgewezen, zetten ze toch dit plan door. Het werd als het ware gedogen.

De situatie bleef ongewijzigd tot 1664. Een nieuwe gouverneur werd benoemd. Deze bleek veel meegaander met de Nederlanders. Ze werden per direct van hun werkverplichtingen ontheven, met uitzondering van hun verplichting om twee keer maand zich te melden. Als ze ergens naar toe gingen moesten ze dat melden bij de secretaris van de gouverneur. Hij nodigde de Nederlanders regelmatig bij hem thuis uit. Daar kregen ze een warm onthaal met eten en drinken. De gouverneur was zeer geïnteresseerd in de verhalen over Nederland. Hij vroeg ze ook waarom ze niet naar Japan gingen. Daarop antwoordde de Nederlanders dat ze daarvoor geen toestemming kregen en het ontbrak hen aan een geschikt schip voor zo’n zeereis. De gouverneur merkte vervolgens op dat in deze kustplaatsen voldoende schepen voor handen waren. Maar Hamel en zijn collega’s lieten weten geen schip te willen stelen, want als de poging mislukte werden ze niet alleen gestraft voor hun ontsnappingspoging maar ook voor diefstal. Hamel schreef later in zijn Journael dat dit was bedoeld om geen argwaan bij de gouverneur te wekken. Desalniettemin had hij hen wel op een idee gebracht.

De mannen trokken er op uit om een boot te kopen bij de lokale bevolking. Ze vertelden dat ze graag wilden gaan vissen  langs de kust, maar niemand wilde de Nederlanders een boot verkopen. In de hoofden van de bevolking leefde het strikte regime van de vorige gouverneur nog door. Zij waren erg plichtsgetrouw en niet bereid om risico te lopen.

De maanden verstrekken en tot spijt van de Nederlanders vertrok ook de goedgezinde gouverneur. In rap tempo volgde andere gouverneurs elkaar op. Sommigen waren vriendelijk en anderen waren de Nederlanders minder gunstig gezind. Ze moesten dan allerlei vervelende klusjes. Ze protesteerden hier wel tegen en dienden zelfs klachten in bij de koning, maar hun situatie werd nagenoeg erger. Hamel schreef dat op een gegeven moment de situatie buitengewoon onplezierig werd. Het voelde aan alsof ze in de slavernij waren beland. De Nederlanders voelden er weinig voor dit de rest van hun leven te doen. Het idee om te ontsnappen werd sterker en sterker.

De ontsnapping

<<>> 

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s