Olivier van Noort

De Nederlanders zijn er deze weken weer massaal op uitgetrokken voor een verre vakantie of een vakantie dichtbij huis. Hoe dan ook leggen we met z’n allen duizenden kilometers af voor avontuur en ontspanning.

Ons Verleden Hedentendage blikt deze week terug op Nederlandse ontdekkingsreizigers. Zij maakten reizen naar onbekende bestemmingen en brachten zo de wereld in kaart. Hun reizen leverde bijzondere verhalen voor het thuisfront op. Vandaag deel 3 Olivier van Noort

 

 

Olivier van Noort is de eerste Nederlander die rond de wereld voer. Aan het eind van de 16de eeuw begonnen Nederlandse kooplui met hun zoektocht naar een eigen route naar Indië voor de eigen handel. De bekende routes waren in handen van Spanje en Portugal. De Republiek was destijds nog in staat van oorlog met Spanje (Tachtigjarige Oorlog). Portugal was sinds 1580 door Spanje geannexeerd en daardoor ook in oorlog met de Republiek. Willem Barentsz kon geen doorgang vinden via een noordoostelijke route. Van Noort kreeg daarop een route te vinden door rond Zuid-Amerika te varen. Via deze zuidwestelijke doorgang maakte hij in ruim drie jaar een reis rond de wereld.

Voor de expeditie

Van Noort is geboren in 1558 of 1559 te Utrecht. Hij is de zoon van Jan van Noort. Over zijn jeugd is weinig bekend. Hij zou enige vorm van onderwijs hebben gevolgd en al op jonge leeftijd in aanraking zijn gekomen met de zeevaart. Toch zou hij in eerste instantie kiezen voor een andere carrière.

Omstreeks 1585 trouwde hij met Margaretha Pietersdochter. Het huwelijk bleef kinderloos.

Twee jaar later vestigde Van Noort zich als herbergier in Rotterdam. In herberg Dubbele Witte Sleutels, een hoekhuis aan de Grootemarkt en Nieuwstraat, ging hij aan de slag. Op 20 juli 1591 kocht hij het pand. De herberg bleef zelfs tijdens zijn wereldreis in zijn bezit. Hij verkocht het pas na terugkomst op 29 juni 1602 bij volmacht.

Stadsgezicht van Rotterdam (1581) uit Civitatis orbis terrarum van Georg Braun en Franz Hogenberg. Bron: Gemeentearchief Rotterdam.

De verhalen over de weldaad en pracht van Indië deden destijds de ronde. Mensen raakten in de ban en wilden zelf op avontuur uit. In de herberg van Van Noort zal regelmatig over de reizen naar Indië zijn gesproken. Het was waarschijnlijk de locatie waar hij samen met Peter van Beveren, Huyg Gerritz en Johannes Benninck de plannen voor zijn reis maakte. De reis had een militair en commercieel doel. Met zijn reis wilde Van Noort bijdragen aan de oorlog tegen Spanje door zoveel mogelijk Spaanse bezittingen, zoals schepen en koloniale nederzettingen, aan te vallen, in te nemen of te vernietigen. Hij voer ook naar de Oost om handel te drijven in bijvoorbeeld specerijen.

Met eigen geld en financiële hulp van Rotterdamse als Amsterdamse geldschieters, misschien onder hen wel een aantal van zijn klanten, richtte Van Noort een eigen compagnie op. De Verenigde Oost-Indische Compagnie bestond nog niet. Er werden toen in de Republiek allerlei kleine compagnieën opgericht. Van Noort’s compagnie werd de ‘Magallaanse Compagnie’ genoemd.

Van Noort schreef een brief aan de Staten-Generaal en de Staten van Holland voor toestemming om handel te mogen drijven en om over zes reizen geen belasting te hoeven betalen. Verder vroeg hij om kanonnen en buskruit om de schepen mee te bewapenen. In de winter van 1597 volgde het antwoord. Van Noort ontving vier geweren,6.000 pondaan kogels,12.000 pondbuskruit. Van de stad Utrecht kreeg hij twee kanonnen te leen. Deze werden na thuiskomst weer teruggegeven. Slechts over twee reizen hoefde Van Noort geen export belasting te betalen in plaats van de gevraagde zes reizen.

Mauritius. Detail van Het uitzeilen van een aantal Oost-Indiëvaarders van Hendrick Cornelisz. Vroom (1600)

Met behulp van zijn geldschieters was hij bovendien in staat twee schepen en twee jachten voor de expeditie te laten bouwen. De schepen Mauritius (Rotterdam) en Frederik Hendrik (Amsterdam) hadden een laadvermogen van 300 ton. De eerste was het commandoschip onder leiding van Van Noort en de tweede onder viceadmiraal Jacob Klaasz van Ilpendam. De jachten kregen de namen Eendracht (Rotterdam) en Hoop (Amsterdam). Beide hadden een laadvermogen van 50 ton. Ze stonden het commando van respectievelijk Peter de Lint en Johannes Huidecooper.

Nog voor vertrek klonk er vanuit verschillende kanten kritiek op expeditie. Volgens sommigen waren de schepen te licht bewapend. Echter was er in die tijd een tekort aan wapens, buskruit en kogels. De Republiek zat nog midden in de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. Anderen hadden kritiek op de onervarenheid van de bemanning aan boord van de schepen en jachten. De totale bemanning bestond uit 248 personen, onder wie Cornelis van Noort, een broer van Olivier. Echter zou Cornelis al naar drie maanden sneuvelen. Van Noort liet zich, ondanks de kritiek, er niet van weerhouden de expeditie te ondernemen.

De Atlantische Oceaan over

Door miscommunicatie verliep de start van de expeditie een wekenlange vertraging op. Van Noort vertrok met de Mauritius en Eendracht vanuit Rotterdam op 28 juni 1598 richting Engeland. Bij The Downs, een rede voor de kust van Kent, ging hij voor anker. Daar wachtte hij op de Frederik Hendrik en Hoop die vanuit Amsterdam zouden vertrekken. Na enkele weken keerde Van Noort huiswaarts en trof de Amsterdammers aan voor de kust van Zeeland. Als een gezamenlijke vloot vertrokken de schepen uiteindelijk op 13 september.

De schepen zetten koers voor Plymouth. Van Noort had daar een ontmoeting met een Engelse zeevaarder, bekend als ‘kapitein Melis’. Hij was een decennium eerder onder het commando van kapitein Thomas Cavendish de wereld rond gevaren en wist wat de vloot van Van Noort te wachten stond. Zeven bemanningsleden grepen deze stop aan om te deserteren. Op de Frederik Hendrik was onrust ontstaan naar aanleiding van het hoogharige gedrag van Van Ilpendam. Met twee sloepen gingen de mannen ervandoor. Of Van Noort de viceadmiraal op dat moment tot de orde riep, is niet duidelijk. Wel weten we dat de vloot zijn vervolgde langs de Afrikaanse westkust.

In december bereikte zij het eiland Principe in de Golf van Guinee. Het eiland was ongeveer dertig jaar geleden “ontdekt” door de Portugezen. Bij aankomst ontstonden wat schermutselingen en vielen enkele slachtoffers nadat zij in een Portugese hinderlaag waren gelopen. Onder de slachtoffers bevonden zich Cornelis van Noort, kapitein Melis, en Daniel en Johannes van Bremen Gerritsz. De dag erna ging Van Noort met 120 man aan land om vers water in te slaan. Hij stak alle plantages en huizen die ze onderweg tegenkwamen in brand.

Wereldkaart gemaakt door Gerardus Mercator uit 1569.

Op 25 december 1598 begon de vloot aan een ruim twee maanden durende tocht over de Atlantische Oceaan. De vloot arriveerde voor de kust van Rio de Janeiro op 9 maart 1599. Indeze Braziliaanse stad werden ze eerst vriendelijk ontvangen door de Portugezen, maar dit bleek misleidend te zijn. Een aantal mannen vonden de dood als het gevolg van het vuurgevecht. Van Noort was gedwongen het gebied te verlaten zonder dat hij nieuwe levensmiddelen kon inslaan voor het vervolg van hun tocht. De vloot voer naar het eiland Santa Clara om te overwinteren en zodat de bemanning kon herstellen van scheurbuik. Het eiland was rijk aan vers fruit, verse vis en vogels. De jacht Eendracht werd door de Nederlanders in brand gestoken omdat het niet langer zeewaardig was.

Enkele officieren begonnen zich hardop af te vragen of het niet beter was de reis rondom Zuid-Amerika af te breken. Een aantal opties werden geopperd; een tocht over de Atlantische Oceaan naar het eiland St. Helena tot de lente of om via Kaap de Goede Hoop naar India te varen. Maar Van Noort was vastberaden om de reis voort te zetten. Hij hervatte op 2 juni 1599 zijn expeditie.

De Straat van Magellaan

Op hun tocht van Brazilië naar de Straat van Magellaan ondervond de vloot zware stormen en slecht weer. Op 20 september arriveerde Van Noort in Puerto Deseado in het zuiden van Argentinië. Daar zette hij zijn manschappen aan het werk met reparatiewerkzaamheden en het verkrijgen van nieuwe levensmiddelen. Zo jaagde men op pinguïns en zeehonden en vervolgens op zout gelegd ter conservering. Kapitein Johannes Huidecooper overleed tijdens het verblijf in Puerto Deseado en de kapitein van de opgegeven jacht Eendracht, Peter de Lint, werd aangesteld als kapitein op de Hoop.

Kaart van de Straat van Magellaan van Jodocus Hondius uit 1606. Noord en zuid zijn omgedraaid in de tekening.

Van Noort ging na enkele dagen verder. Op 4 november kwam de vloot aan bij de Straat van Magellaan, maar was door het slechte weer gedwongen om de doortocht tijdelijk uit te stellen. Hij ondernam enkele pogingen en slaagde uiteindelijk op 23 november. Het zou het begin zijn van een 116 daagse vaartocht naar de andere kant van Zuid-Amerika.

Onderweg ontmoetten ze Sebald de Weert. Zijn schip Geloof maakte deel uit van de vloot van Jacob Mahu, die op 27 juni 1598 vanaf de rede van Texel was vertrokken. Vanwege een tekort aan manschappen en het slechte weer was hij het contact met de vloot in de Straat van Magellaan kwijt geraakt. Toen Van Noort op 16 december 1599 hem ontmoette, verbleef De Weert al vijf maanden in de Straat. De Weert probeerde aan te sluiten bij de vloot van Van Noort, maar de poging mislukte. Hij zette later koers terug naar Nederland.

Van Noort werd in de Straat met forse tegenslagen geconfronteerd. Het weer bleef slecht en dat belemmerde een snel doortocht. Op de Frederik Hendrikbrak muiterij uit onder de bemanning. Het gedrag van viceadmiraal Van Ilpendam was hier debet aan. 

Op 24 januari 1600 werd hij door een krijgsraad schuldig bevonden aan insubordinatie. Hij werd twee dagen later met een beetje brood en wijn op het strand van Puerto del Hambre achtergelaten. Er is nooit meer iets van hem vernomen. Eerste stuurman Lambert Biesman was sinds eind december al aangesteld als interim viceadmiraal. Peter de Lint werd na het vonnis  officieel in deze functie benoemd. Biesman werd kapitein op de Eendracht.

Op 29 februari bereikte de vloot van Van Noort de Stille Oceaan. Van de oorspronkelijke bemanning van 248 personen waren er op dat moment nog slechts 147 over. Langs de kust van Chili en Peru voer Van Noort noordwaarts. De Frederik Hendrik raakte het contact met de vloot kwijt. Tot 12 maart hebben de Mauritius en Eendracht op het schip gewacht, maar het was tevergeefs. Ze zeilden voort in noordelijke richting. Op het eiland Mocha vulde ze hun voorraden aan.

Een luchtfoto van het eiland Mocha, gelegen voor de kust van Chili. Olivier Van Noort arriveerde hier met zijn vloot in maart 1600.

Buen Jesus wordt buit gemaakt

Van Mocha vervolgden ze hun koers noordwaarts. De bemanning van de Mauritius en Eendracht dachten op 24 maart de zoekgeraakte Frederik Hendrik weer te hebben gevonden in de buurt van het eiland Santa Maria. Echter bleek het om een Spaans schip genaamd Buen Jesus te gaan. De Nederlanders maakten zich gereed voor een zeeslag. Twee dagen later wist de Eendracht het Spaanse schip te overmeesteren. Het prijsschip had een laadvermogen van 60 ton aan boord vonden ze bloem en andere voorraden. Rond dezelfde periode maakten de Nederlandse een tweede schip buit, Los Picos, in de haven van St. Iago. Dit schip had een laadvermogen van 160 ton. De Los Picos werd op 7 april in de brand gestoken met aan boord nog de helft van de voorraden. 

Van Noort liet op 5 april kapitein Don Fransisco de Ibarra en het merendeel van bemanning van Buen Jesus vrij. Stuurman Juan de Sant Aval, twee Afrikaanse slaven Manuel en Sebatian, en twee scheepsjongens van gemengd ras nam hij mee. Nicolas Pietersz werd benoemd tot kapitein op het prijsschip.

Pietersz kwam op 25 april aan boord van de Mauritius om Van Noort een belangrijk bericht te brengen. Slaaf Manuel had hem verteld dat aan boord van de Buen Jesus vaten vol met goud aanwezig waren, aar dat deze in zee waren gegooid voordat de Nederlanders het in handen konden krijgen. Van Noort gaf Pietersz de opdracht de zaak verder uit te zoeken. Met behulp van marteling wist hij de andere gevangen tot bekenissen te krijgen.  Het zou gaan om 52 vaten van elk vier kilo met goudstof en 500 staven goud. Om er zeker van te zijn dat er op de Buen Jesus zich absoluut geen goud meer zou bevinden liet Van Noort het schip grondig doorzoeken. Alleen in een kous van de stuurman werd circa een pond aan goud gevonden. Omdat de stuurman nog nut had voor de Nederlanders bleef hij ongestraft. Uiteindelijk werd hij op 30 juni 1600 overboord gegooid.

De schepen uit de expeditie van Van Noort in de buurt van het eiland Santa Maria. Illustratie uit 1603.

Hoewel de vloot onderweg was naar Lima wijzigde Van Noort de koers richting de Filippijnen op aanwijzing van de Spaanse bemanning. Er zouden vanuit Lima drie grote oorlogsschepen op zoek zijn naar de Nederlandse vloot. Van Noort realiseerde zich dat zijn schepen onvoldoende weerstand zouden kunnen bieden tegen de Spaanse vloot en koos voor een andere koers naar de Marianen-archipel (toen bekend als Ladrones). Tijdens deze tocht werd op 15 augustus de Buen Jesus verlaten, omdat het lekte en niet langer zeewaardig was. Van de Marianen-archipel voer de vloot richting de Filippijnen. Daar zou het komen tot een forse confrontatie met de Spanjaarden.

Van Noort arriveert op de Filippijnen

Op 14 oktober kwam land in zicht. Van Noort meende dat het Kaap Espiritu Santo was. Twee dagen later kwam een kano met een Spanjaard aan boord richting de Mauritius gevaren. Van Noort liet de Spaanse vlag hijsen en een zeeman zich als monnik kleden. De Spanjaard, wiens naam Enrique Nuñez was, kwam aan boord en werd door Van Noort ontvangen. De admiraal vertelde hem dat zij Fransen waren en in opdracht van de koning van Spanje onderweg waren naar Manilla. Verder zei Van Noort dat hij op zoek was naar nieuwe levensmiddelen en dat door de dood van de stuurman ze niet precies wisten waar ze waren. Nuñez vertelde daarop dat de baai La Bahia werd genoemd en zich zo’n twee à drie zeemijlen ten noorden van de Straat van Manilla bevond. Hij beval de Indianen om rijst, gevolgte en varkensvlees te gaan halen. Van Noort betaalde hen met contant geld. Een dag later, op 17 oktober, kwam een tweede Spanjaard aan boord. Hij was Francisco Rodriquez, een sergeant. In de middag verliet Nuñez de Mauritius weer samen met de Nederlander Jacob Lock die goed Spaans sprak. De volgende dag kwam weer een andere kano naar de vloot gevaren. Aan boord van de kano waren de Spaanse kapitein, Rodrigo Arias Xiron, en een priester. De kapitein kwam aan boord en de priester bleef in de kano. Hij vroeg aan Van Noort voor zijn octrooi, want het was voor de Spanjaarden verboden om met vreemdelingen handel te drijven. Van Noort haalde het octrooi van prins Maurits tevoorschijn tot grote verbazing van de Spanjaarden. Hij nam vervolgens Xiron in gijzeling en stuurde een brief naar het vasteland voor Lock om terug te keren. Pas als Lock veilig aan boord van de Mauritius was zou hij de kapitein weer vrijlaten. En zo gebeurde het ook. Op 20 oktober zette de vloot koers voor de Straat van Manilla, waar ze op 24 oktober arriveerden.

De bemanning begon met verkennen van de omgeving. In de dagen daarna werden verschillende dorpen bezocht. Op enkele plaatsen waren er schermutselingen met de bewoners. Andere waren verlaten en werden door de Nederlanders in brand gestoken. Ze waren ook in staat hun voorraden weer aan te vullen. Op 1 november 1600 voer de vloot richting Manilla. Vier dagen later, verscheen in de verte een kano met vijf Indianen. Van Noort stuurde een sloep uit om de Indianen binnen te halen. Twee werden aan boord gehouden om de weg naar Manilla te wijzen, terwijl de overige drie weer vrij werden gelaten.

Gezicht op Manilla, Filippijnen door Johannes Vingboons uit 1665. Bron: Nationaal Archief

Op 16 november blokkeerden de schepen de Baai van Manilla. Van Noort hoopte een arriverend Spaans galjoen of handelsschip uit China te veroveren. In de dagen daarna werden verschillende kanos en boten door de Nederlanders buit gemaakt. De voorraden werden in beslag genomen en de bemanningen weer vrijgelaten. De Eendracht bracht op 9 december een verlaten Spaans schip binnen die volgeladen was met wijn. Het schip werd tot zinken gebracht.

De grote confrontatie met de Spanjaarden

Bij het verschijnen van de Nederlandse vloot in de baai werd door de Spanjaarden in allerijl een vloot gemobiliseerd. Antonio de Morga werd bevorderd tot kapitein-generaal en kreeg van gouverneur-generaal Francisco de Tello de Guzmán de opdracht een vloot gereed te maken. Voor zijn confrontatie met de Nederlanders had hij twee schepen, San Diego en San Bartolomé, en enkele kleinere boten tot zijn beschikking. De schepen waren oorspronkelijk vrachtschepen en moesten gereed gemaakt worden voor de militaire operatie. Op 16 december voer De Morga de haven uit en kwam het tot een gevecht tussen de vloten.

De kanonsluiken van de San Diego zaten dicht en daardoor kon De Morga geen bevel geven om te vuren. Hij gaf de opdracht de Mauritius te laten rammen en te enteren. Ongeveer dertig soldaten en enkele zeelui namen bezit van de bak en de cabine bij het achtersteven. De vlaggenstandaard werd door de Spanjaarden veroverd. Ze ontdeden de masten van de zeilen het tuig. De Nederlanders trokken zich terug op de boeg. De Spanjaarden kregen de indruk dat ze zich wilden overgeven. Terwijl men op de Mauritius wachtte op de voorwaarden voor overgave, ging de Eendracht ervandoor.

Tegen zijn orders in besloot de kapitein van de San Bartolomé de Eendracht te achtervolgen. Hij dacht dat de strijd gestreden was. De bemanning van de Mauritius beschouwde dit als een nieuwe kans en begon een man-tot-man gevecht. Het gevecht duurde ruim zes uur en kostte vele levens aan beide zijden. Op een voor de Nederlanders gunstig moment brak er op het schip brand uit. De Spanjaarden vluchtten naar de San Diego, maar het ruim van het schip bleek vol te lopen met water en begon te zinken. Op de Mauritius waren de Nederlanders in staat het vuur te doven en ondanks de zware beschadigingen weg te varen.

De San Diego zinkt en de Mauritius vlucht zwaar beschadigd weg. Illustratie uit 1603.

De Eendracht was een ander lot beschoren. Het Spaanse schip de San Bartolomé wist de Eendracht te veroveren en sleepte het naar Manilla. De kapitein en bemanningsleden werden als piraten beschouwd. Spanje erkende de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op dat moment nog niet. De gouverneur-generaal gaf het bevel de Nederlanders ter dood te brengen. De doodstraf werd uitgevoerd met een garrote. De beul legde bij het slachtoffer van achteren een lus om de hals, die dan langzaam werd gedraaid zodat het slachtoffer werd gewurgd.

Ondertussen zonk de San Diego in rap tempo. Een groot deel van de opvarenden kon het schip niet tijdig verlaten en verdronk. De Morga zwom vier uur lang rond met de Hollandse standaard waarna hij samen met enkele medeopvarenden het Fortune Island bereikte.

In de nasleep gaf De Morga de kapitein van de San Bartolomé de schuld van het verlies van de San Diego. Deze was immers de Eendacht achterna gegaan in plaats van samen de Mauritius aan te vallen. De Nederlanders vonden het verlies van de Spanjaarden de schuld van de incompetentie en lafheid van De Morga.

Terugreis naar Rotterdam

De vloot en bemanning waren flink uitgedund als gevolg van de confrontatie. Alleen de Mauritius en 35 man waren op dit moment nog over. Van Noort voer naar Borneo; zo’n 60 zeemijlen van Manilla. Op 26 december 1600 arriveerde hij in Borneo. Hij verbleef hier tien dagen. De tijd werd gebruikt om te herstellen van de zeeslag tegen de Spanjaarden. De schade aan het schip werd voor de terugreis naar Nederland gerepareerd. De voedselvoorraden werden aangevuld en specerijen werden ingekocht voor de handel in het vaderland. De Mauritius voer naar Bantam op het eiland Java. Ze bereikten op 29 januari 1601 Djaratan. Zes dagen later vertrokken ze weer. Rond 10 februari voer de Mauritius door het gebied tussen Java en Bali.

Van Noort zette koers richting Kaap de Goede Hoop. Ongeveer drie maanden later, op 3 mei, voer het schip rond de Kaap. Vandaar uit ging het schip naar St. Helena, een eiland in de Atlantische Oceaan voor de Afrikaanse kust. Hier verversten ze zich voor het laatste deel van hun reis. Op 26 augustus 1601 keerde Van Noort terug in Rotterdam.

Titelblad reisverslag van Olivier van Noort. Beschrijvinghe vande voyagie om de geheelen wereldt Cloot ghedaen door Olivier van Noort

Nog in hetzelfde jaar dat Van Noort terugkeerde in Rotterdam schreef hij zijn reisverslag Beschrijvinghe vande voyagie om de geheelen wereldt Cloot ghedaen door Olivier van Noort. Het verhaal werd razend populair in de Republiek en inspireerde velen om ook zelf het avontuur te zoeken op de wereldzeeën.

Van Noort werkte vanaf ongeveer 1620 tot 1626 als garnizoenscommandant in Schoonhoven. Hij overleed een jaar later op 22 februari 1627. Nederlands eerste wereldreiziger ligt begraven op Grote of Bartholomeuskerk in Schoonhoven. Zijn grafsteen bevindt zich niet meer op zijn graf, maar heeft een plek gekregen aan de muur van de kerk. Op de steen staat:

Hic ille est totum velis qui circuit orbem et a Magella quartus Oliverius (Dit is degene die de hele wereld is omgezeild, (en) als vierde na Magelhães, Olivier)

bronnen:
De Morga, A. (2005). The Philippine Islands, Moluccas,Siam,Cambodia,Japan and
China at the close of the sixteenth century.London: Adamant Media Corporation.
Gemeentearchief Rotterdam
http://www.engelfriet.net/Alie/Hans/olivier.htm
Holland History
De VOC-site
Wikipedia
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s