Godfried van Bouillon, bevrijder van de heilige stad

5/2014Edelman Godfried van Bouillon (1060-1100) maakt onvoorzien een bliksemcarrière. Van aristocraat van het tweede garnituur schopt hij het tijdens de Eerste Kruistocht tot ‘Beschermer van het Heilige Graf’.

Het is december 1096 en in de kerken van Constantinopel worden de laatste voorbereidingen getroffen voor het kerstfeest. Maar onder de bevolking van deze stad heerst geen verwachtingsvolle feeststemming. Met toenemende ongerustheid slaan de Grieken de ontwikkelingen buiten de stadsmuren gade. Daar heeft zich een groot aantal barbaarse troepen verzameld. Ze staan onder leiding van een zekere Godfried van Bouillon, hertog van Neder-Lotharingen – God mag weten waar dat oord ligt. Veel goeds lijken ze niet in de zin te hebben.

Ook de Byzantijnse keizer Alexius Comnenus vertrouwt de gewapende peregrini of ‘pelgrims’ – eeuwen later omschreven als ‘kruisvaarders’ – voor geen cent. Hij wil ze graag inzetten als stoottroepen tegen zijn vijanden in Klein-Azië. Daarvoor heeft hij ze ook naar het Oosten genodigd. Maar dat betekent niet dat hij onbetrouwbare Latijnse christenen uitgebreid in zijn stad wil fêteren. De risico’s zouden gigantisch zijn. Voor zijn onderdanen, maar ook voor zijn eigen wankele bewind.
Alexius wil de kruisdragers zo snel mogelijk de Bosporus overzetten. Op veilige afstand van zijn regeringscentrum heeft hij daar, aan de kust van de Zee van Marmara, een kampement ingericht waar de duizenden soldaten kunnen uitrusten in afwachting van de volgende, zware etappe. Enkel hun aanvoerders zijn welkom op het paleis, om een eed van trouw te komen afleggen. Godfried weigert echter. Hij begrijpt dat hij zonder zijn gevolg zwak staat in zijn onderhandelingen met de keizer van het Byzantijnse Rijk.

Alexius schijnt Godfried nog een paar keer vriendelijk te hebben verzocht zich als een inschikkelijk leenheer te gedragen. Dan verliest de keizer zijn geduld en stuurt hij een elite-eenheid op de Latijnse christenen af. Een gewapend treffen volgt, waarbij Godfried ‘brullend als een leeuw’ een flink aantal leden van de keizerlijke strijdmacht over de kling jaagt.

De Byzantijnen vluchten terug de stad in, waarna de peregrini ongegeneerd aan het plunderen slaan. Pas wanneer Alexius de voedselvoorziening van de Lotharingers blokkeert en Godfried ‘stapels goud, zilver, purperen mantels, paarden en muildieren’ belooft, stemt de laatste in met de gedwongen overtocht van zijn mannen. Wanneer in het voorjaar van 1097 ook de andere edelen hun eed hebben afgelegd en zijn overgezet, kan de lange mars naar Jeruzalem eindelijk worden vervolgd.

Godfried van Bouillon is waarschijnlijk de bekendste van alle edelen die vanaf het eind van de elfde eeuw met hun legers richting Jeruzalem trekken, op zoek naar eer, goud, martelaarschap of kwijtschelding van hun zonden. Maar die vermaardheid lijkt minder het gevolg te zijn van zijn talent, afkomst of persoonlijkheid dan van een opmerkelijke, relatief late carrière en een uiterst welwillende middeleeuwse pers.

Godfried wordt rond het jaar 1060 geboren in Boulogne-sur-Mer, als tweede zoon van graaf Eustaas II van Boulogne. Dit betekent dat Godfrieds oudere broer Eustaas al het grondbezit van de familie zal erven. Voor Godfried lijkt er niks anders op te zitten dan zich voor te bereiden op een geestelijke loopbaan of als verkapte huurling in dienst te treden bij een andere feodale heerser.

Hij wordt uit de brand geholpen door zijn oom Godfried III, de hertog van Neder-Lotharingen – ook wel bekend als ‘Godfried met de Bochel’. Die neemt de jongen onder zijn hoede en brengt hem de vechtkunst bij in zijn kasteel te Bouillon, in de zuidelijke Ardennen. Godfried met de Bochel heeft geen natuurlijke erfgenaam, en wanneer hij in 1076 wordt vermoord, blijkt hij al zijn bezittingen te hebben nagelaten aan zijn dan 16-jarige neefje.

‘Brullend als een leeuw’ doodt Godfried leden van de keizerlijke strijdmacht

Godfried krijgt dus een erfenis in de schoot geworpen, maar heeft als hertog van Neder-Lotharingen – waartoe ook het huidige Nederland wordt gerekend – maar weinig grond in privébezit. Daardoor kan hij geen grote strijdmacht onderhouden – met alle gevolgen van dien voor zijn respectabiliteit.

De hertog van Neder-Lotharingen is in feite een vazal van de keizer van het Heilige Roomse Rijk, Hendrik IV. Hij dient de openbare orde te bewaken en erop toe te zien dat de belangrijkste steden, abten en kapittels trouw blijven aan de keizer. Dat is te veel gevraagd voor een 16-jarige. En dus stelt Hendrik IV zijn eigen zoon Koenraad II aan als een soort interim-hertog. Godfried moet eerst maar eens zijn trouw en geschiktheid bewijzen. Hierin lijkt hij geslaagd, want in 1087 kan Godfried zijn rechtmatige positie innemen.

Volgens zijn ‘biograaf’, de geestelijke Albert van Aken, treft Godfried in de winter van 1096 een haveloze asceet op zijn binnenplaats aan. De man roept panisch gesticulerend op tot een tocht naar Jeruzalem om de ‘geknechte stad’ uit handen van de ongelovigen te redden. Godfried aarzelt geen moment: hij rent halsoverkop naar beneden, vliegt de stinkende asceet om de hals en zegt onmiddellijk zijn medewerking toe.

Het is een mooi verhaal – toch wringt er iets. En niet alleen omdat Van Aken een streekgenoot van Godfried was, en zich lijkt te hebben voorgenomen zijn idool uitgebreid in het zonnetje te zetten. De ‘Kruistochten’ waren immers het initiatief van paus Urbanus II, de belangrijkste vijand van Godfrieds broodheer Hendrik IV.

Waarom deed Godfried dan mee? Hoe godvruchtig hij ook geweest mag zijn, hij moet zich hebben gerealiseerd dat Urbanus’ kruistocht in eerste instantie een politieke onderneming was. Dat zit zo. Urbanus II, die bepaald niet op zijn achterhoofd was gevallen, wist dat hij een machtige bondgenoot nodig had in zijn titanenstrijd met Hendrik IV.
Daarom had hij al jaren eerder toenadering gezocht tot die andere Europese keizer: Alexius Comnenus. Die tactiek betaalde zich uit toen het Byzantijnse Rijk halverwege de jaren negentig in een ernstige crisis raakte: Byzantium werd niet alleen van alle kanten binnengevallen, er werd ook een groot complot tegen keizer Alexius ontdekt. Ten einde raad vroeg Alexius in 1095 Urbanus II om militaire steun. Urbanus moest de westerse edelen ertoe bewegen hun oosterse medegelovigen te hulp te snellen.

Nog datzelfde jaar trekt Urbanus van hot naar her om sympathie en materiële steun te verwerven voor de zaak van de Byzantijnse keizer. Die zaak spiegelt hij zijn gehoor net iets anders voor. Niet zozeer de Griekse keizer zou worden gesteund, maar de oosterse christenbroeders, die volgens Urbanus onder systematische vervolgingen van ‘de Perzen’ – waarschijnlijk bedoelde hij Turken of Arabieren – te lijden hadden.

Om de vervolgde christenen te helpen, moet een gewapende pelgrimage naar het graf van Jezus in Jeruzalem worden ondernomen, zodat de Heilige Stad kan worden ontfutseld aan het gezag van ‘de vijanden van God’. Dat al 450 jaar geen christelijke heerser meer de scepter over Jeruzalem heeft gezwaaid, laat hij wijselijk onvermeld. Wel geeft hij aan dat een ieder die Jeruzalem met de juiste intenties weet te bereiken, kan rekenen op kwijtschelding van al zijn zonden.

De respons op de oproep van Urbanus is overweldigend. Toonaangevende Franse aristocraten als Raymond van Toulouse maken zich op om met duizenden ‘soldaten van Christus’ naar het Oosten te trekken. Veel tegenstanders van Hendrik IV kiezen de zijde van Urbanus. Onder hen is ook Koenraad II, de oudste zoon en erfopvolger van de keizer. De openlijke opstand van Koenraad tegen zijn vader vormt een bedreiging voor Godfrieds positie. Mocht Koenraad inderdaad de nieuwe keizer worden, dan verliest Godfried Hendriks steun.

En dus beleent of verkoopt Godfried al zijn bezittingen om een eigen legermacht te kunnen bekostigen. Zijn jongere broer Boudewijn, die een bestaan als geestelijke onbevredigend vindt, sluit zich als ridder bij hem aan. Voor zijn vertrek belooft Godfried plechtig dat hij alle Joden zal vermoorden die hij onderweg tegenkomt. Ook zij zijn immers ‘vijanden van God’. Toch lijkt hij zelf niet te hebben deelgenomen aan de bloedbaden die de eerste groepen peregrini aanrichten onder de Joden van het Rijnland. Wellicht arriveert hij te laat, misschien houdt hij zich aan het uitdrukkelijke verbod van Hendrik IV op geweld tegen zijn Joodse onderdanen. Niettemin melden Joodse bronnen dat de overlevenden van de Rijnlandse pogroms God smeekten om Godfrieds voortijdige dood – en dat zijn gebeente tot stof mocht worden vermalen.

Godfried zal op 18 juli 1100, na een kort maar pijnlijk ziekbed, inderdaad voortijdig de geest geven. Maar niet dan nadat hij Jeruzalem heeft helpen veroveren en het tot eerste christelijke heerser over de Heilige Stad sinds de laat-antieke tijd heeft geschopt. Dat is een ongekende eer, waarvan Godfried bij zijn vertrek niet of nauwelijks zal hebben durven dromen. Hij is immers een aristocraat van het tweede garnituur. Bovendien moet zijn nauwe verbintenis met Hendrik hem aanvankelijk in de positie van buitenstaander hebben gemanoeuvreerd onder de veelal ‘Franse’ of Zuid-Italiaanse edelen die de overige legereenheden aanvoerden.

Het zijn dan ook de steenrijke graaf Raymond van Toulouse en de ervaren houwdegen Bohemund van Tarente die aanvankelijk het voortouw nemen in de expeditie door Klein-Azië en Syrië, van Constantinopel via Nicea naar Antiochië en tot slot Jeruzalem. Pas gedurende de eindfase van de Eerste Kruistocht, na de uiterst moeizame inname van Antiochië in juli 1098, treedt Godfried uit de schaduw van de andere legeraanvoerders. Dat dankt hij vooral aan zijn veel avontuurlijker ingestelde jongere broer Boudewijn en de gezwollen ego’s van Raymond van Toulouse en Bohemund van Tarente, die na ‘Antiochië’ frontaal met elkaar in botsing komen. Inzet van het conflict vormt de zeggenschap over de stad waar volgens de overlevering de apostel Petrus de eerste christelijke parochie stichtte. Vanaf dat moment is het definitief gedaan met de toch al broze eensgezindheid van de kruisvaarders.

Wie de Heilige Stad bereikt, kan rekenen op kwijtschelding van zijn zonden

Na veel gekibbel en dreigementen wordt een compromis tussen de twee kemphanen gesloten. Bohemund blijft achter in Antiochië om er de basis te leggen voor zijn eigen vorstendom, terwijl Raymond – gesterkt door de wonderbaarlijke vondst van ‘de heilige lans’ waarmee Jezus aan het kruis zou zijn doorboord – de resterende troepen verder richting hoofdprijs Jeruzalem zal leiden. Maar niet iedereen blijkt gecharmeerd van Raymond van Toulouse en zijn gedweep met de Heilige Lans. Ook wordt hem verweten zelf nauwelijks iets aan de verovering van Antiochië te hebben bijgedragen.

Godfried van Bouillon moet van deze situatie gebruik hebben gemaakt om zijn eigen gezag te vergroten. Om nieuwe troepen aan zich te kunnen binden, voert hij net als Raymond van Toulouse rooftochten in de omgeving van Antiochië uit. Bovendien krijgt hij van zijn doortastende broer Boudewijn, die inmiddels in het Noord-Syrische Edessa een eigen machtsbasis heeft verworven, het recht schattingen te innen in steden die in zijn gebied liggen. Het wordt daarmee een stuk aanlokkelijker heer Godfried te dienen.

Tot ver in het voorjaar van 1099 vreten de verschillende kruisvaarderstroepen het gebied ten zuiden en ten oosten van Antiochië kaal. De expeditie naar Jeruzalem raakt er volledig door in het slop. Er komt pas weer schot in de heilige zaak wanneer in april Raymonds belegering van Arqa, in het uiterste noorden van het huidige Libanon, stukloopt op de onverwacht stugge verdediging van de lokale heerser. Plotseling ontstaat er gemor onder de manschappen. Waarom zijn ze nog steeds niet naar Jeruzalem onderweg? Tot overmaat van ramp neemt het geloof in de authenticiteit van de Heilige Lans, en daarmee in Raymonds autoriteit, zienderogen af.

Raymond van Toulouse besluit tot een vlucht naar voren: hij laat Arqa links liggen en zet eindelijk de opmars naar Jeruzalem in. Hij heeft echter ontegenzeggelijk aan autoriteit ingeboet en wanneer de troepen in juni Jeruzalem in zicht krijgen, zijn er twee kampen ontstaan. Het ene kamp bestaat uit de Provençalen die Raymond van Toulouse zijn trouw gebleven. Zij stellen zich aan de zuidelijke muren van de Heilige Stad op. Aan de noordzijde verzamelen zich de overige legers, waaronder dat van Godfried.

Op dit moment, in de allerlaatste fase van de Eerste Kruistocht, trekt Godfried plots alle initiatief naar zich toe. Zo toont hij zich met een eigen ‘heilig’ voorwerp: een gouden kruis dat moet concurreren met Raymonds relikwie. Ook weet hij zich te verzekeren van de diensten van de technisch onderlegde Gaston van Béarn, die voorheen met de Provençaalse troepen optrok. Van Béarn krijgt van Godfried de leiding over de bouw van de noodzakelijke belegeringswerktuigen.

Op 14 juli wordt de aanval ingezet, maar niet dan nadat de verdedigers van de stad middels een geniale truc op het verkeerde been zijn gezet. In de nacht van 13 op 14 juli demonteren de noordelijke troepen hun belegeringstoren, verplaatsen die een kilometer naar het oosten en zetten hem daar weer in elkaar. ‘De Saracenen stonden de volgende morgen met stomheid geslagen toen zij de veranderde positie van onze machines en tenten gewaarwerden,’ noteert een Latijnse kroniekschrijver jaren later. Ze hadden zich namelijk ingesteld op een stormloop vanaf de plek waar de aanvalstoren eerst stond.

De aanvallers slaan een bres in de buitenste weermuur en een dag later neemt Godfried persoonlijk het voortouw door boven op de zestien meter hoge belegeringstoren plaats te nemen en ‘onvervaard’ de soldaten en burgers van Jeruzalem met zijn kruisboog op de korrel te nemen. Zo is hij de eerste edele die de muur van Jeruzalem betreedt. Hij zal zich niet hebben kunnen onttrekken aan de afschuwelijke slachting die de kruisvaarders vervolgens onder de bevolking van Jeruzalem aanrichten.

Het heeft er veel van weg dat Godfried, met de geur van het heilige Jeruzalem in zijn neus, plots bezield is geraakt door een religieus vuur dat al zijn verholen moed en leiderschapskwaliteiten naar boven heeft gebracht. Maar misschien ook dient de beschrijving van Godfrieds heldendaden, voor en op de muren van Jeruzalem, eenvoudigweg als literaire rechtvaardiging voor zijn latere uitverkiezing tot heerser van Jeruzalem – die heel goed het gevolg van een compromis kan zijn geweest.

Dit laatste zou kunnen verklaren waarom hij de titel ‘koning van Jeruzalem’ zou hebben geweigerd en met de aanmerkelijk nederiger titel ‘beschermer van het Heilig Graf’ genoegen nam. Nu de nog altijd machtige, rancuneuze Raymond van Toulouse zo duidelijk is gepasseerd, lijkt het raadzaam geen extra olie op het vuur te gooien en met een minder opzichtige titel genoegen te nemen.

Historici zullen nooit met zekerheid kunnen nagaan wat de ware toedracht van Godfrieds historische uitverkiezing is geweest. Wat wel vaststaat is dat Godfried van Bouillon na zijn dood een krachtig en nuttig symbool werd voor de instandhouding van het kruisvaardersideaal, waaraan nog eeuwenlang nieuwe, kleurrijke elementen zouden worden toegevoegd. De legende van de godvruchtige, koene ridder Godfried zou de kruisvaardersstaten in het Oosten – eind dertiende eeuw tot een bloederige herinnering gereduceerd – dan ook ruimschoots weten te overleven.

bron: Maurice Blessing/Historisch Nieuwsblad

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s